Beleidsnotitie Damocles

Afbeelding 1

















Damoclesbeleid

Artikel 13b van de Opiumwet



















Datum inwerkingtreding: 12 april 2021

Inhoud







Drugscriminaliteit is een maatschappelijk probleem in Nederland en vormt een ernstige aantasting van de openbare orde, veiligheid, volksgezondheid en het woon- en leefklimaat. Het aantal chemische drugslabs in bewoonde gebieden neemt toe. Ook worden er steeds vaker hennepkwekerijen aangetroffen waarbij er een groot risico bestaat voor brandgevaar, ontploffing en waterschade. Het gaat om levensgevaarlijke tikkende tijdbommen waartegen moet worden opgetreden.

Ook blijkt uit het ondermijningsbeeld van de regio Noord-Drenthe dat het fenomeen drugs een belangrijke factor is in de georganiseerde criminaliteit in dit gebied. De bestrijding hiervan is niet alleen voorbehouden aan politie en justitie. Ook de gemeente krijgt een steeds belangrijkere rol in de aanpak hiervan. Het is daarbij noodzakelijk om het probleem integraal aan te pakken. Zowel regionaal als lokaal is daarom prioriteit gegeven aan de aanpak van drugs.

Het belangrijkste instrument tegen drugsoverlast en -criminaliteit is de Opiumwet. Artikel 13b van de Opiumwet (ook wel Wet Damocles genoemd) maakt het mogelijk voor een burgemeester om op te treden tegen drugscriminaliteit. Op grond van dit artikel heeft de burgemeester de bevoegdheid om een last onder bestuursdwang op te leggen als in woningen of lokalen drugs worden verkocht, afgeleverd en verstrekt of aanwezig zijn. Deze last kan inhouden dat een woning of lokaal wordt gesloten.

Sinds 1 januari 2019 is artikel 13b van de Opiumwet uitgebreid. Ook strafbare voorbereidingshandelingen met betrekking tot handel in en productie van drugs kunnen nu tot een sluiting leiden. Met deze uitbreiding van de bevoegdheid is de burgemeester beter in staat om de risico’s die drugsgebruik met zich mee brengt voor de volksgezondheid te voorkomen en te beheersen en de nadelige effecten van de productie en distributie van handel in en het gebruik van drugs op het openbare leven en andere lokale omstandigheden tegen te gaan.

Sluiting van een woning of lokaal op grond van artikel 13b Opiumwet is een belangrijke herstelsanctie waarmee het beëindigen of opheffen van illegale verkoop- of handelslocaties wordt beoogd. Het sluiten van panden is een essentieel onderdeel in de samenwerking van overheidspartners bij het optreden tegen drugscriminaliteit. Met de sluiting wordt de bekendheid van een pand als drugspand weggenomen en wordt de loop naar het pand eruit gehaald, waarmee het pand aan het drugscircuit wordt onttrokken. Daarbij geldt dat eerder tot sluiting kan worden overgegaan als de betrokken woning in een voor drugscriminaliteit kwetsbare woonwijk ligt, omdat een zichtbare sluiting van dergelijke woningen door de burgemeester voor bij die woningen betrokken drugscriminelen en voor buurtbewoners een signaal is dat de overheid optreedt tegen drugscriminaliteit in die woningen. Een sluiting beëindigt daarmee een situatie die schadelijk is voor de kwaliteit van de woon- en leefomgeving. Daarnaast werpt een sluiting van een pand een barrière op voor criminele activiteiten, doordat het criminele ondernemingsproces verstoord.

Deze beleidsnotitie bevat de kaders voor de uitoefening van de in artikel 13b van de Opiumwet neergelegde bevoegdheid. Bij de uitoefening van de bevoegdheid beschikt de burgemeester over beleidsruimte. Indien bepaalde omstandigheden hiertoe aanleiding geven, kan de burgemeester gemotiveerd afwijken van de handhavingsmatrix en de daarin genoemde (zwaarte van de) maatregel.

Sinds 1999 kan de burgemeester door middel van een last onder bestuursdwang een lokaal sluiten als in of bij dat lokaal een handelshoeveelheid drugs wordt verkocht, afgeleverd, verstrekt of voor handel aanwezig is. In 2007 zijn ook woningen aan het bereik van deze bevoegdheid toegevoegd.

De bevoegdheid van artikel 13b Opiumwet gold voorheen niet als in een pand geen drugs werden aangetroffen (noch verkocht, afgeleverd of verstrekt), terwijl er wel voorwerpen of stoffen aanwezig waren die duidelijk bestemd waren voor het telen of bereiden van drugs, zoals bepaalde apparatuur (drugslaboratorium, cocaïnewasserij), chemicaliën (apaan, zoutzuur) en versnijdingsmiddelen.

Per 1 januari 2019 is het bereik van artikel 13b Opiumwet echter verruimd en luidt de bepaling als volgt:

1. De burgemeester is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf:

a. een middel als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is;

b. een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3°, of artikel 11a voorhanden is.

2. Het eerste lid is niet van toepassing indien woningen, lokalen of erven als bedoeld in het eerste lid, gebruikt worden ter uitoefening van de artsenijbereidkunst, de geneeskunst, de tandheelkunst of de diergeneeskunde door onderscheidenlijk apothekers, artsen, tandartsen of dierenartsen.

Bij de verruiming gaat het om voorbereidingshandelingen die strafbaar zijn op grond van artikel 10a en 11a van de Opiumwet. Die bepalingen vereisen dat degene die het voorwerp of de stof in de woning of het lokaal of op het erf voorhanden heeft, weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat het voorwerp of de stof bestemd is voor onder meer het bereiden, bewerken of vervaardigen van harddrugs, respectievelijk voor grootschalige of bedrijfsmatige illegale hennepteelt. De situatie zal van een zodanige aard moeten zijn dat redelijkerwijs moet worden aangenomen dat het om strafbare voorbereidingshandelingen gaat.

Of hiervan sprake is, dient te worden beoordeeld op basis van de feitelijke omstandigheden zoals door de politie vastgesteld, de feiten die de politie op grond van artikel 9 van de Opiumwet bevoegd maakten om het pand te betreden, de ter plekke aangetroffen situatie, de aard en hoeveelheid van de in beslag genomen stof (denk aan de opslag van 2.000 liter zoutzuur in een woonwijk), de aangetroffen voorwerpen en stoffen in onderlinge combinatie (bijvoorbeeld een drugslaboratorium of hennepkwekerij in aanbouw) en andere uit het opsporingsonderzoek blijkende feitelijkheden zoals resultaten van tapgesprekken of observaties. De verruimde bevoegdheid van artikel 13b Opiumwet maakt sluiting mogelijk zodra het pand een schakel vormt in de productie of distributie van drugs, ook als er (nog) geen directe gevolgen zijn voor de lokale woon- of leefomgeving.

De verruiming van artikel 13b Opiumwet geldt niet voor in een pand aangetroffen vervoermiddelen, gelden of andere betaalmiddelen als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3°, of artikel 11a. In veel gevallen zal de relatie van vervoer- of betaalmiddelen met het pand onvoldoende duidelijk zijn om sluiting van het pand te rechtvaardigen. Evenmin geldt de verruiming van de sluitingsbevoegdheid als in een pand een (geheime) ruimte wordt aangetroffen als bedoeld in artikel 11a. Dit neemt niet weg dat het aantreffen van vervoer- of betaalmiddelen of (geheime) ruimten wel kunnen bijdragen aan het oordeel dat redelijkerwijs moet worden aangenomen dat het om strafbare voorbereidingshandelingen gaat.

Naast de bevoegdheid op grond van artikel 13b Opiumwet, heeft de burgemeester nog een andere bevoegdheid. Zo kan de burgemeester op grond van artikel 174a van de Gemeentewet (ook wel Wet Victoria genoemd) besluiten een woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te sluiten, indien door gedragingen in de woning of het lokaal of op het erf de openbare orde rond de woning, het lokaal of erf wordt verstoord. Deze sluitingsbevoegdheid geldt alleen als er door gedragingen sprake is van verstoring van de openbare orde of ernstige vrees daarvoor. Uit de rechtspraak blijkt dat aan die voorwaarde alleen wordt voldaan als de gedragingen overlast veroorzaken die de veiligheid en gezondheid van omwonenden in ernstige mate aantast. Van een dergelijke situatie zal dus niet snel sprake zijn en het artikel biedt daarmee onvoldoende soelaas voor situaties waarin er aanwijzingen zijn voor drugscriminaliteit, maar er (nog) geen sprake is van een ernstige verstoring van de openbare orde.

Een andere, relatief jonge bevoegdheid, bestaat op grond van artikel 151d van de Gemeentewet. Op 1 juli 2017 is namelijk de Wet aanpak woonoverlast in werking getreden. Door deze wet is artikel 151d toegevoegd aan de Gemeentewet. In dit artikel wordt aan de gemeenteraad de mogelijkheid gegeven om in een verordening (bijvoorbeeld in de Algemene Plaatselijke Verordening) te bepalen dat degene die een woning gebruikt geen ernstige hinder voor omwonenden veroorzaakt. Dit geeft burgemeesters de mogelijkheid om, wanneer er sprake is van ernstige en herhaaldelijke hinder, specifieke gedragsaanwijzingen te geven aan overlastgevers in zowel huur- als koopwoningen. Zo’n gedragsaanwijzing kan worden opgelegd als last onder bestuursdwang of last onder dwangsom. De last kan ook een tijdelijk huisverbod inhouden, maar geen sluiting van de woning. Daarnaast is een ander verschil met artikel 13b Opiumwet dat artikel 151d van de Gemeentewet ernstige en herhaaldelijke hinder van omwonenden vereist, en bijvoorbeeld niet (zonder meer) gebruikt kan worden na het aantreffen van een grote hoeveelheid drugs of grondstoffen voor drugs.

Er zijn dus meerdere manieren om op te treden tegen overtredingen van de Opiumwet. Er is geen bepaalde voorkeursvolgorde, maar het is duidelijk dat toepassing van de bevoegdheid van de burgemeester op grond van artikel 13b van de Opiumwet in veel gevallen het meest effectief is.

De gemeente voert een zerotolerancebeleid met betrekking tot coffeeshops. Een coffeeshop is een alcoholvrije horeca-inrichting waar handel in en gebruik van cannabisproducten plaatsvindt. Het zerotolerancebeleid houdt in dat zich geen coffeeshops in Aa en Hunze kunnen vestigen. Uitgangspunt van dit beleid is om te voorkomen dat de veiligheid, de openbare orde, het woon- en leefklimaat en de gezondheid van de inwoners van de gemeente nadelig worden beïnvloed door de vestiging van de coffeeshop.

De bevoegdheid van de burgemeester om een pand te sluiten is een discretionaire bevoegdheid waarbij rekening moet worden gehouden met de zeer ingrijpende gevolgen die een sluiting kan hebben voor de betrokkenen. Aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding dient te worden beoordeeld in hoeverre sluiting noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat en het herstel van de openbare orde.


De burgemeester kan er voor kiezen om, afhankelijk van de ernst van de situatie en rekening houdend met de indicatorenlijst, alleen een waarschuwing te geven in plaats van over te gaan tot sluiting. Dit zal over het algemeen bij een eerste overtreding het geval zijn.

Als er sprake is van een ernstige situatie waarin een sluiting noodzakelijk is, neemt dat niet weg dat de sluiting ook evenredig moet zijn. Hiervoor zijn een aantal omstandigheden van belang.1

Uit rechtspraak van de Afdeling voor Bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie onder meer de uitspraak van 14 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:851) blijkt dat persoonlijke verwijtbaarheid niet is vereist voor toepassing van artikel 13b eerste lid van de Opiumwet. Ook als tegen de betrokkene een strafzaak is aangespannen voor de overtreding en die strafzaak resulteert vervolgens niet in een straf, door bijvoorbeeld een sepot, vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging, betekent dit niet dat de burgemeester van sluiting had moeten afzien. De bestuursrechtelijke bevoegdheid van de burgemeester staat namelijk los van een eventuele strafrechtelijke procedure.

Bij de beoordeling of een sluiting evenredig is, komt de vraag of een verwijt van de overtreding kan worden gemaakt wel aan de orde. Er dient een zorgvuldige afweging plaats te vinden van alle betrokken belangen. Het kan zijn dat de huurder of verhuurder niet op de hoogte was van de overtreding en moeite heeft gedaan om drugsdelicten te voorkomen. Het ontbreken van iedere betrokkenheid bij de overtreding kan afzonderlijk of samen met andere omstandigheden ertoe leiden dat de burgemeester niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik kan maken. Van een verhuurder wordt wel een verregaande inspanning verwacht om het feitelijke gebruik van zijn pand te controleren.

Verder moet worden gekeken naar de gevolgen die de sluiting met zich mee brengt. Een betrokkene kan namelijk een bijzondere binding hebben met de woning, bijvoorbeeld wegens medische redenen. Daarbij is van belang in hoeverre de betrokkene zelf geschikte woonruimte kan regelen, maar hierin is ook een rol weggelegd voor de burgemeester. Gelet op de vereiste evenredigheid van de sluiting dient de burgemeester te informeren naar de mogelijkheden van vervangende huisvesting. Dit kan bijvoorbeeld ook het geval zijn bij aanwezigheid van minderjarige kinderen. Enkel het feit dat minderjarige kinderen in een woning aanwezig zijn, heeft echter niet direct tot gevolg dat de burgemeester van sluiting moet afzien. De burgemeester dient in zo’n geval ook te informeren over geschikte opvang, waarbij gekeken moet worden in hoeverre het kind of de betrokken ouders of verzorgers zelf in staat zijn om iets te regelen.

In bepaalde gevallen wordt bij een sluiting door de burgemeester het huurcontract ontbonden door de woningcorporatie en kan de huurder op een zwarte lijst komen te staan. Daardoor kan de huurder voor een bepaalde duur geen nieuwe sociale woning huren in de regio. De gevolgen van een sluiting kunnen dan bijzonder zwaar zijn voor de betrokkene. Een dergelijk geval hoeft geen reden te zijn om niet over te gaan tot sluiting, maar kan wel leiden tot een situatie waarin sluiting onevenredig is. Dit kan bijvoorbeeld zo zijn wanneer de betrokkene geen verwijt kan worden gemaakt of gezien de ernst van de overtreding.

Bovendien moet de duur van de sluiting proportioneel zijn. Als blijkt dat de aangetroffen drugs niet in of vanuit de woning werden verhandeld, kan in mindere mate sprake zijn van een loop naar de woning. Dit kan de noodzaak van het beoogde herstellende karakter van de sluitingsmaatregel minder groot maken. Bij het bepalen of een sluitingsmaatregel wordt opgelegd en voor welke duur, mag het recidivegehalte van de overtreder ook worden meegewogen. Hierbij wordt aangesloten bij de termijn van vijf jaren, zoals door het Openbaar Ministerie wordt gehanteerd. Ditzelfde geldt indien het betrokken lokaal/woning al eerder is gewaarschuwd of gesloten. Wordt een ander soort drugs aangetroffen dan waarvoor de overtreder eerder een maatregel of straf opgelegd heeft gekregen, dan wordt alsnog gesproken van recidive.

Na afloop van de sluitingstermijn vindt in overleg met de eigenaar en bewoners van het pand een overdracht plaats. Bestaat er ernstige vrees voor herhaling van verstoring van de openbare orde, dan kan de duur van de sluiting worden verlengd. De betrokkenen worden bij een mogelijke verlenging in de gelegenheid gesteld te worden gehoord.

De bevoegdheid van de burgemeester om over te gaan tot sluiting laat onverlet dat ook andere bestuursrechtelijke bevoegdheden kunnen worden ingezet. Zo kan een vergunning voor het verstrekken van alcoholhoudende dranken van een lokaal worden ingetrokken op grond van artikel 31 van de Drank- en Horecawet. Als de eigenaar een dergelijke vergunning aanvraagt, kan deze worden geweigerd. Intrekking of weigering is voor de betrokken eigenaar een ingrijpender maatregel dan sluiting, omdat sluiting een tijdelijke situatie is. Intrekking is een definitieve maatregel. Betrokkene kan na intrekking weliswaar een nieuwe vergunning aanvragen, maar de kans dat deze wordt verleend is klein gelet op de omstandigheden die tot de sluiting en intrekking hebben geleid. Een vergunning wordt in beginsel alleen ingetrokken als de eigenaar mede schuldig is aan de drugshandel.

Is er sprake van een onschuldige verhuurder, dan kan deze verzoeken om de sluiting van het pand op te heffen. Voordat de burgemeester hieraan gevolg geeft, moet in ieder geval aan een aantal voorwaarden zijn voldaan. De huurovereenkomst met de betreffende huurder moet zijn opgezegd, de verhuurder kan aannemelijk maken dat hij geen kennis had kunnen hebben van de overtreding van de Opiumwet en dat hem geen verwijt treft. Bij de beoordeling van een verzoek tot ontheffing zal de burgemeester afwegen of de bekendheid van het pand als drugspand is doorbroken en de handel in en rondom het pand inmiddels is beëindigd.

Als er sprake is van een huurwoning van een woningcorporatie, wordt overlegd met de corporatie. Woningcorporaties zijn in bepaalde gevallen gerechtigd de huurovereenkomst te ontbinden en de woning te sluiten. In dat geval is het niet noodzakelijk dat de burgemeester de bestuursdwangprocedure voortzet.

Als er sprake is van een woning waarin kamerverhuur plaatsvindt en de handel of productie van drugs in één van de verhuurde kamers is geconstateerd, kan een gedeeltelijke sluiting van de woning worden overwogen. Het kan voorkomen dat bewoners die niet met drugshandel of -productie in aanraking zijn geweest worden getroffen door de sluiting op grond van artikel 13b van de Opiumwet.

Bij het aantreffen van een handelshoeveelheid drugs kan de burgemeester bij de eerste overtreding de woning of het lokaal sluiten. Voor het bepalen van een handelshoeveelheid wordt aangesloten bij de hoeveelheden die het Openbaar Ministerie hanteert. Voor het bepalen van de sluitingsduur wordt gekeken naar de aangetroffen hoeveelheid drugs. De aanwezigheid van meer dan 0,5 gram harddrugs, meer dan 5 gram softdrugs of meer dan 5 hennepplanten wordt niet gezien als geringe hoeveelheid voor eigen gebruik. Het is dan aannemelijk dat de aangetroffen drugs deels of geheel bestemd waren voor verkoop, aflevering of verstrekking. Dit geldt ook als ter plaatse geen overlast of feitelijke drugshandel is geconstateerd. Een sluiting dient ter ongedaanmaking van de overtreding en het voorkomen van herhaling. Het maakt daarbij dus niet uit wat voor soort drugs is aangetroffen.

Bij een geringe overschrijding van de gedoogde gebruikershoeveelheden dient door de burgemeester te worden afgewogen of met een minder verstrekkende maatregel, zoals een waarschuwing, kan worden volstaan. In dat kader is de soort drugs die in een woning is aangetroffen wel van belang. Bij het aantreffen van een handelshoeveelheid harddrugs in een woning zal de noodzaak om tot sluiting over te gaan groter zijn dan bij softdrugs.

3.3. Handhavingsmatrix

Op basis van de algemene uitgangspunten, waarbij aansluiting is gezocht met de Noord-Drentse gemeenten Assen, Noordenveld en Tynaarlo, is de handhavingsmatrix opgesteld. Dit is een richtlijn waarvan gemotiveerd kan worden afgeweken.

Het begrip woningen in deze matrix omvat ook andere vormen van wonen, zoals woonwagens, woonschepen en woonketen. Het begrip lokalen omvat zowel voor publiek toegankelijke lokalen, zoals cafés en winkels, als niet voor publiek toegankelijke lokalen, zoals loodsen, schuren en bedrijfsruimten. Een recreatiewoning kan, als deze uitsluitend recreatief wordt gebruikt, als lokaal worden gekwalificeerd, maar onder omstandigheden – bijvoorbeeld als daar legaal permanent in wordt gewoond – ook als woning.

In de handhavingsmatrix is onderscheid gemaakt in de ernst van de overtreding. We spreken bij softdrugs van een middelernstige overtreding bij 6 tot en met 50 gram cannabis en/of 6 tot en met 20 planten, of wanneer er minder dan 5 gram cannabis en/of 5 planten wordt aangetroffen maar er wel sprake is van bedrijfsmatige teelt (enige vorm van professionaliteit en/of met geldelijk gewin als doel). Van een gebruikershoeveelheid softdrugs is sprake tot en met 5 gram cannabis en maximaal 5 planten. Van een zware overtreding bij softdrugs is sprake bij 51 gram cannabis of meer en/of 21 planten of meer, met of zonder vorm van bedrijfsmatige teelt.

Het aantreffen van harddrugs is een zware overtreding wanneer er sprake is van meer dan een gebruikershoeveelheid harddrugs. Van een gebruikershoeveelheid is sprake bij 0,5 gram (één bolletje/wikkel/ampul/pil etc.) of een consumptie-eenheid van 5 milliliter (GHB).

Bij het aantreffen van voorwerpen en stoffen die bestemd zijn voor het telen en bereiden van drugs wordt aangesloten bij het voorgaande. Bij voorbereidende handelingen voor de teelt van softdrugs is sprake van een middelernstige overtreding als het gaat om middelen voor de teelt van 6 tot en met 50 gram cannabis en/of 6 tot en met 20 planten. Bij voorbereidende handelingen voor de teelt van meer dan 50 gram cannabis en/of meer dan 20 planten is sprake van een zware overtreding.

Bij harddrugs is sprake van een zware overtreding als er voorwerpen en stoffen worden aangetroffen die bedoeld zijn voor het bereiden en produceren van meer dan 0,5 gram of 5 milliliter.

Drugs in bewoonde woningen dan wel in of op bij de bewoonde woning behorende erven

Overtreding

Ernst

Softdrugs

Harddrugs

1e

middel



zwaar

Waarschuwing, tenzij ernstig geval dan sluiting 3 maanden

Sluiting 3 maanden




Sluiting 3 maanden

2e

middel



zwaar

Sluiting 3 maanden, tenzij ernstig geval dan sluiting 6 maanden

Sluiting 6 maanden




Sluiting 6 maanden

3e

middel



zwaar

Sluiting 6 maanden, tenzij ernstig geval dan sluiting 12 maanden

Sluiting 12 maanden




Sluiting 12 maanden

4e

middel




zwaar

Sluiting 12 maanden, tenzij ernstig geval dan sluiting voor onbepaalde tijd

Sluiting 12 maanden, tenzij ernstig geval dan sluiting voor onbepaalde tijd





Sluiting voor onbepaalde tijd



Drugs in (al dan niet voor publiek toegankelijke) lokalen/gebouwen en onbewoonde woningen, dan wel in of op bij zodanige lokalen/gebouwen behorende erven

Overtreding

Ernst

Softdrugs

Harddrugs

1e

middel



zwaar

Waarschuwing, tenzij ernstig geval dan sluiting 6 maanden

Sluiting 6 maanden




Sluiting 6 maanden

2e

middel



zwaar

Sluiting 6 maanden, tenzij ernstig geval dan sluiting 12 maanden

Sluiting 12 maanden




Sluiting 12 maanden

3e of vaker

middel







zwaar

Sluiting 12 maanden, tenzij ernstig geval dan sluiting voor onbepaalde tijd



Sluiting 12 maanden, tenzij ernstig geval dan sluiting voor onbepaalde tijd








Sluiting voor onbepaalde tijd


Voorbereidingshandelingen in zowel bewoonde woningen als (al dan niet voor publiek toegankelijke) lokalen/gebouwen en onbewoonde woningen, dan wel in of op bij zodanige lokalen/gebouwen/woningen behorende erven

Overtreding

Ernst

Softdrugs

Harddrugs

1e

middel



zwaar

Waarschuwing, tenzij ernstig geval dan sluiting 3 maanden

Sluiting 3 maanden




Sluiting 3 maanden

2e

middel



zwaar

Sluiting 3 maanden, tenzij ernstig geval dan sluiting 6 maanden

Sluiting 6 maanden




Sluiting 6 maanden

3e

middel



zwaar

Sluiting 6 maanden, tenzij ernstig geval dan sluiting 12 maanden

Sluiting 12 maanden




Sluiting 12 maanden

4e

middel




zwaar

Sluiting 12 maanden, tenzij ernstig geval dan sluiting voor onbepaalde tijd

Sluiting 12 maanden, tenzij ernstig geval dan sluiting voor onbepaalde tijd





Sluiting voor onbepaalde tijd



De burgemeester kan op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) afwijken van dit beleid als het toepassen hiervan wegens bijzondere omstandigheden onevenredige gevolgen met zich meebrengt voor belanghebbenden in verhouding tot de met dit beleid te dienen doel.

Verlichtende of verzwarende omstandigheden kunnen een kortere of langere sluitingstermijn of slechts een waarschuwing rechtvaardigen. Ook kan in plaats van een last onder bestuursdwang in de vorm van een sluiting op grond van artikel 5:32 van de Awb worden gekozen voor het opleggen van een last onder dwangsom. Hiervoor geldt de werkwijze die ook wordt gehanteerd voor het toepassen van bestuursdwang (vooraankondiging, horen, besluit), zie paragraaf 3.6.

Bij de afweging om te komen tot een alternatieve sluitingsduur wordt onder meer rekening gehouden met de bekendheid van een woning of lokaal als drugsadres, de noodzaak om de rust in de directe omgeving te doen terugkeren of om herhaling van de (ernstige) verstoring van de openbare orde te voorkomen en een verdere aantasting van het woon- en leefklimaat te voorkomen. Bij verzwarende omstandigheden zal de sluitingsduur nooit langer zijn dan de termijn die bij een eerstvolgende overtreding zou worden toegepast.

Of het opleggen van een sluiting gerechtvaardigd is, kan mede worden bepaald aan de hand van onderstaande indicatorenlijst. Deze lijst heeft geen cumulatief karakter. Op basis van enkele indicatoren kan er sprake zijn van een ernstige situatie.

De indicatorenlijst is nadrukkelijk een hulpmiddel. Er moet altijd eerst gekeken worden naar de voorwaarden gesteld in artikel 13b van de Opiumwet en naar de voorwaarden in deze beleidsnotitie.



  • Er moet minimaal sprake zijn van een hoeveelheid drugs die duidt op beroeps- of bedrijfsmatige handel. Indien sprake is van een dergelijke hoeveelheid kan op grond van jurisprudentie worden aangenomen dat het gaat om een handelshoeveelheid en hoeft er geen sprake te zijn van daadwerkelijke verkoop, aflevering of verstrekking;

  • Er zijn voldoende signalen die duiden op beroeps- of bedrijfsmatigheid, zoals de aanwezigheid van verpakkingsmateriaal, grote som(men) geld, weegschalen, assimilatielampen e.d.;

  • De mate waarin de woning is betrokken bij drugshandel in georganiseerd verband;

  • Er is sprake van gewelds- en/of andere openbare orde delicten;

  • Er is sprake van één of meer (vuur)wapen(s)/verboden wapenbezit als bedoeld in de Wet Wapens en Munitie;

  • Er is sprake van recidive bij de betrokkene(n)

  • Er is sprake van een vermoeden van verwijtbaarheid van de betrokkenen/bewoners;

  • Er is sprake van een combinatie van middelen als bedoeld in lijst I en lijst II van de Opiumwet;

  • De mate van gevaar voor de omgeving en de mate van risico voor omwonenden;

  • De mate van overlast;

  • Aannemelijkheid dat de woning niet overeenkomstig de woonfunctie wordt gebruikt;

  • Aannemelijkheid dat de woning of het daarbij behorende erf samen met nog één of meer locaties betrokken zijn bij drugshandel in georganiseerd verband of als de aanwezigheid van drugs hierop duidt;

  • Overige feiten of omstandigheden die duiden op drugshandel in georganiseerd verband.

De bevoegdheid van artikel 13b van de Opiumwet kan worden toegepast aan de hand van de volgende werkwijze.

Als de burgemeester een woning of lokaal wil sluiten, wordt eerst een vooraankondiging verstuurd aan de overtreder. In deze brief wordt aangegeven dat de burgemeester het voornemen heeft het pand te sluiten en dat er geen omstandigheden bekend zijn die aanleiding geven tot het opleggen van een andere maatregel. Er kan ook voor worden gekozen om eerst een schriftelijke waarschuwing te geven.

Voordat de sluiting definitief wordt opgelegd, moet de overtreder op grond van artikel 4:8 van de Awb in de gelegenheid worden gesteld mondeling of schriftelijk een zienswijze in te dienen. De termijn hiervoor is afhankelijk van de ernst van de aangetroffen situatie in het pand. Er moet in ieder geval sprake zijn van, gelet op de specifieke omstandigheden van het geval, een redelijke termijn.

Bij een eventuele verlenging van de sluiting moet de overtreder opnieuw in de gelegenheid worden gesteld zijn zienswijze over dat voornemen kenbaar te maken.

Als over wordt gegaan tot sluiting wordt de overtreder een begunstigingstermijn geboden, waarbinnen hij kan voldoen aan de opgelegde last (bijvoorbeeld door het pand zelf te verlaten en te sluiten). Op deze manier kunnen persoonlijke spullen uit het pand worden verwijderd voordat het pand wordt gesloten door de gemeente. Behoudens spoedeisende gevallen wordt een begunstigingstermijn van 48 uur aangehouden.

De sluiting van voor het publiek en niet voor het publiek toegankelijke lokalen waarin drugshandel is geconstateerd, vindt plaats met toepassing van spoedeisende bestuursdwang. In deze gevallen is spoedeisende sluiting gerechtvaardigd, vanwege de ernstige verstoring van de openbare orde. De toepassing van spoedeisende bestuursdwang wordt vervolgens schriftelijk bekend gemaakt aan de overtreder en/of rechthebbende op het gebruik van het lokaal.

In het besluit tot opleggen van een last onder bestuursdwang wordt tegelijk een aanzegging tot kostenverhaal opgenomen in het geval het bestuursorgaan de last uitvoert. Dit gebeurt wanneer de last niet binnen de in het besluit aangegeven begunstigingstermijn geheel wordt uitgevoerd. De kosten van bestuursdwang kunnen op grond van artikel 5:25 van de Awb worden verhaald op de overtreder(s).

Een sluiting is een publiekrechtelijke beperking op een kadastraal perceel. Dit dient op grond van de Wet Kenbaarheid Publiekrechtelijke Beperkingen (Wkpb) te worden geregistreerd in de Basisregistratie Kadaster publiekrechtelijke beperkingen (BRK-PB). Het doel hiervan is dat eenvoudig inzicht kan worden gegeven in de door de overheid opgelegde beperkingen op een stuk grond of een gebouw. Wordt de sluiting opgeheven, dan dient dit ook te worden vermeld in de basisregistratie.

Wanneer overgegaan wordt tot sluiting, dan wordt het besluit bekend gemaakt aan de overtreder en/of rechthebbende op het gebruik van de zaak, zie artikel 5:24 lid 3 van de Awb. De last houdt in dat het pand ontoegankelijk is en blijft gedurende de termijn van sluiting. Een aankondiging van de sluiting wordt daarbij duidelijk zichtbaar aangebracht op het pand. Vaak zal de sluiting door een feitelijke handeling van een verzegeling worden geëffectueerd, zie artikel 5:28 va de Awb. Het doorbreken van de verzegeling is strafbaar op grond van artikel 199 van het Wetboek van Strafrecht. Ook is het betreden van een gesloten pand, woning of erf strafbaar gesteld in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV).

Bij cumulatie van op te leggen maatregelen op grond van dit beleid is de zwaarst gestelde maatregel van toepassing.

De Wet Victor heeft betrekking op vervolgmaatregelen na sluiting van een woning en een niet voor het publiek toegankelijk lokaal op grond van artikel 174a van de Gemeentwet (Victoria) of artikel 13b van de Opiumwet (Damocles). Op grond van de Wet Victor is het college van burgemeester en wethouders bevoegd om de eigenaar te verplichten een andere gebruiker voor het pand aan te wijzen of het gebouw in beheer te geven (artikel 14 van de Woningwet). Aan dit besluit kunnen voorwaarden worden gesteld, zoals het geschikt maken voor gebruik van de woning. Mocht er ondanks de aanwijzingsbevoegdheid geen uitzicht zijn op duurzaam herstel van de openbare orde rond de betreffende woning, dan is de gemeenteraad, op grond van artikel 77 lid 1 sub 7 Onteigeningswet, bevoegd om tot onteigening over te gaan. Bij ernstige vrees voor herhaling van de verstoring van de openbare orde, kan de sluiting van het pand eerst ook worden verlengd. Zijn vervolgmaatregelen niet nodig dan kan de eigenaar na afloop van de sluitingstermijn de woning of het lokaal weer in gebruik nemen.



























Hieronder staat in het kort weergegeven welke vragen relevant zijn bij de afweging om over te gaan tot sluiting van een pand. Er kunnen ook andere aspecten worden meegewogen.

  1. Is sluiting noodzakelijk ter bescherming van het woon- en leefklimaat en het herstel van de openbare orde?

    1. wat is de ernst en omvang van de overtreding (zie indicatorenlijst onder paragraaf 3.5.);

    2. bestaat er kans op herhaling (recidive)?

    3. is er sprake van drugshandel?

  2. Is sluiting evenredig?

    1. kan een verwijt worden gemaakt van de overtreding? Anders gezegd: is er sprake van betrokkenheid bij de overtreding? Let wel, persoonlijke verwijtbaarheid is niet vereist.

    2. welke gevolgen brengt sluiting met zich mee?

      1. bestaat er bijzondere binding met de woning bijvoorbeeld vanwege medische redenen?

      2. is de betrokkene in staat zelf vervangende woonruimte te regelen?

      3. zijn er minderjarige kinderen aanwezig en is geschikte opvang beschikbaar?

  3. Is sluiting proportioneel of kan met een andere maatregel hetzelfde resultaat worden bereikt?











1 Zie ook de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 augustus 2019, waarin de Afdeling het toetsingskader ten aanzien van artikel 13b Opiumwet op hoofdlijnen uiteenzet (ECLI:NL:RVS:2019:2912).