Het waren die dagen
dat magie en mystiek
zich in het landschap
nestelden
(wij waren de sluiers
en de taal
en wat licht zei)
We kleedden ons in sluiers
hingen een mantel
rond de schouders
betraden het speeltoneel
waar de werkelijkheid
de zintuigen verleidde
(wij waren de sluiers
en de taal
en wat licht zei)
We traden in het licht
we klonken
ons open
in geluid
van diep uit de aarde
van hoog uit de lucht
we bewogen
de een
na de ander bewogen
(wij waren de sluiers
en de taal
en wat licht zei)
Schimmen in de schemer
spraak van het vergeten
oplichtende silhouetten
smeekbeden van verlangen
fluisters van herinnering
(wij waren de sluiers
en de taal
en wat licht zei)
Van hoog naar beneden
een voetstap dan
en al die volgden
Van duister naar licht
een voetstap dan
en al die volgden
(wij waren de sluiers
en de taal
en wat licht zei)
Dan de donder
de schaduwen
de strijd ten tonele
het geworpen lichter
dan licht
de dreiging in het duister
de grom van de aarde
het water at pijn
(wij waren de sluiers
en de taal
en wat licht zei)
Het kind torst de aarde
de wijze verlicht
Het kind vindt de moeder
de vader ziet aan
licht spreekt dan
in kleuren
in hart en in hoofd
Het kind is de aarde
steeds opnieuw beloofd
(wij waren de sluiers
en de taal
en wat licht zei)
Stil is het weer
de ruimte herademt
voorbij is de tijd
dat het landschap
sprak van de tover
die er eens
over gleed
Stil is het weer
maar het verhaal
is niet verlaten
het verhaal spreekt
als je de adem voelt
die zich mengt
met licht waarin kleuren
met geluid waarin lagen
met beweging waarin gratie
met mensen waarin werkelijkheid
en tover
(wij zijn de sluiers
en de taal
en er zij licht
zei licht)
- Egbert Hovenkamp II-