DE WOORDENVANGER VAN STAMELEN
I.
De Woordenvanger van Stamelen
at het landschap tot coupletten
van zijn LevensLied;
hoe natuur
kunst het nakijken geeft
hoe namaak
niet aan de bomen kan tippen
hoe vogelgeluidjes
hoe wind in de, kromgebogen, eik
hoe verte niet in twee ogen past
hoe ruisend gras fluistert
van onvergeetbare verhalen
hoe dit bankje de zandweg meubileert
hoe de kikkers vertellen van levenslust
en boven-al
hoe de zon de aarde kust
II.
Een ringslangetje kronkelt wild
over het fietspad
(even verderop:
een platgereden muisje)
glooiingen volop voor me
bosjes, dansende bosjes
links de ratel
van een specht
(geen weet van kraakverbod)
een koekoek
achter me
-net zag ik nog de bloemen-
in de verte
-jawel-
langs jakkerend verkeer
voorbijgaand aan deze rust
dit:"alles is vandaag waar
alles is morgen weer anders
je weet maar nooit"
III.
Dit landschap zingt me
toen, nu en later
weilanden, bomen en stromend water
gefluit, gekwetter, gekweel, gesnater
maar ook de brullende vrachtwagen
met een dolleman aan het stuur
ook gifgeur in dit, verder aangename, middaguur
IV.
Voorwaar voorwaar
een ooievaar
en
een kinderpaar
(Dag lieve beesten
op je nest)
verder wervel ik me weer
bochten, echte bochten
die me voort wijzen
V.
Dit landschap
was mijn eerste jas
-wat zeg ik-
mijn eerste luier
en nu rijd ik hier genietend
als een jong kalfje
lurkend aan moeder's uier
Maar
LET OP!
de dolgekleurde toerdefransers
pingpingen
schreeuwen me opzij, opzij
ze zien niet
ze horen niet
ze pompen slechts pedalen
naar een straks te klokken tijd
VI.
Een gouden tulp hotel
bedolven onder auto's
becamerade buiken
pingping
ik ben in de duinen
opgewaaid uit de aarde
ik zie, ik zie wat iedereen mag zien
pingping
vrouw met looplijnhond verstaat het tempo
hond met looplijnvrouw bepaalt het tempo
pingping
"Nee! ik wijk niet meer
voor uw nerveuze wielen
wacht u maar op mij
of licht uw hielen!"
VII.
Dan ben ik waar ik
zal zijn
mag zijn
kan zijn
Dan ben ik bij het water
waarin een eiland van water
Dan ben ik waar
Kopland's ogen kijken
Dan ben ik waar
de afspraak
winkelwaarts
zo terug
ik kan wachten
heb me van het asfalt bevrijd
(HET WEEROM)
I.
De stad
is nog verscholen
achter
loom, langzaam stromend water
lachende bomen
wuivend gras
verlegen lachend groen
ik voel me
nog thuis
onder deze wolken
kinderstemmen
en de geur van
pasgewassen vergezichten
II.
Op dit kruispunt
ben ik gaan zitten;
de zon
kust mijn rug
terwijl ik kijk
naar groenen
allerlei
wit er doorheen geweven
een rode brievenbus
wacht op mondvoorraad voor morgen
III.
Ik laat mijn geest omploegen
tot vruchtbare aarde voor:
"Zie, ik maak alle dingen nieuw
zie je alle nieuwe dingen
deze dag voor jou tentoongesteld?"
Ja, ik zie
mijn ogen blijven open
willen niet meer toe
want wat er is te zien
wakkert dit ogenblik
IV.
Hier kruimelt de tijd zich waan
hier spreekt ruimte zonder grenzen
de hekken die hier staan
zijn monumenten van een ingelast verleden
nu zijn ze schoonheid die ademt
met de open velden
Hier sta ik
huiswaarts kerend
vol van wind
vol van wagende geest
stroom leeg van onbetaalde woorden.
(Egbert Hovenkamp II)